Woongemeenschap

In de vorige blog schreef ik over Amal, die studeert aan de universiteit in Amman. Zij zei over haar eigen situatie dat ze geluk heeft gehad, ook al is het niet gemakkelijk. Een bezoek aan een woongemeenschap van Syrische weduwen en hun kinderen toont dat het leven van Syriërs in Jordanië inderdaad nog veel complexer kan zijn. Islamitische liefdadigheidsorganisaties nemen hierin een rol, waarbij zij de weduwen en de kinderen steunen en tegelijk hun eigen boodschap uitdragen.

De families wonen in een buitenwijk van Amman, nog niet zo lang geleden een dorp, maar nu opgeslokt door de snel uitdijende stad. Het straatbeeld verraadt dat dit een arme buurt is. Roestige auto’s en dito auto-onderdelen voor vage werkplaatsen, sjofel geklede mannen op straat die ogenschijnlijk weinig omhanden hebben, groezelige huizen en gebouwen, zwerfkatjes op zoek naar etensresten tussen het huisvuil op straat, en overal rondwaaiend stof. Ik word afgezet bij een portiekwoning van vijf verdiepingen. In dit gebouw wonen bijna twintig Syrische oorlogsweduwen met hun kinderen. Abu Mohammed is de enige man in dit gebouw: hij ziet toe op de beveiliging van de vrouwen en kinderen en regelt afspraken – zoals met mij – en zorgt dat de dingen die in het huis moeten gebeuren, gedaan worden. Met zijn vrouw en drie kinderen woont hij op de begane grond, waar hij ook een kantoor heeft. Hij komt ook uit Syrië en doet zijn werk vrijwillig.

Ik ben uitgenodigd om bij een bijeenkomst te zijn met de directrice van de school van de kinderen, en een van de leraressen. Abu Mohammed ontvangt mij in zijn kantoor, en even later komen daar ook de directrice en de lerares aan. Gezamenlijk gaan wij naar een ontvangstkamer achterin het gebouw, waar de vrouw van Abu Mohammed ons opwacht met thee en de door mij meegebrachte koekjes. Er zitten zo’n tien vrouwen in de kring, en na de begroeting steekt de directrice meteen van wal. Ze heeft een puntenlijstje bij zich, dat ze af wil werken.

Seksuele opvoeding en hygiëne

Een belangrijke boodschap van haar aan de vrouwen is dat zij er op toe moeten zien dat hun kinderen zich goed wassen en schoon zijn. Ze gaat heel expliciet in op seksuele opvoeding en het geslachtsrijp worden van jongens en meisjes. Zij zegt dat de vrouwen nu de rol van moeder én van vader hebben. Zij moeten niet alleen met hun dochters maar ook met hun zoons een vertrouwensrelatie opbouwen en met hen bespreken hoe hun lichaam zich ontwikkelt. Het is geen schande om daar met je zoon over te praten, het is belangrijk dat hij het begrijpt; hij heeft tenslotte geen vader die hem dit kan vertellen.

Wat ook belangrijk is, is dat kinderen begrijpen dat zij zich moeten wassen. Iedere dag schoon ondergoed is normaal voor kinderen die de puberteit hebben bereikt. En kleren moeten regelmatig gewassen worden, zodat zij niet naar zweet stinken. Een goede hygiëne is belangrijk om te voorkomen dat kinderen ziektes of infecties oplopen. Dit hoort bij een goede opvoeding, net zoals het leren om op te ruimen en netjes om te gaan met je spullen. Het gebeurt te vaak dat schoolboeken vol etensresten zitten of dat er water overheen is gegaan.

De manier waarop de directrice de moeders toespreekt doet mij sterk denken aan de vele religieuze lessen voor vrouwen, die ik – achttien jaar geleden – in moskeeën in Damascus bijwoonde voor het onderzoek dat ik daar destijds deed. Vrouwen werden in die lessen dwingend aangesproken op hun verantwoordelijkheden als moeders, en op hun voorbeeldfunctie. Zij dienen hun kinderen de islamitische waarden en normen, de ahlaq, voor te leven en met geduld uit te leggen. De moraal omvat zowel geestelijke als lichamelijke aspecten. Zorg voor het lichaam is een basis voor geestelijke toewijding.

Rol van de moeder

Het vervolg van het verhaal versterkt mijn associaties met de religieuze lessen. Hoewel de directrice benoemt dat een goede opvoeding een gezamenlijke verantwoordelijkheid van school en ouders is, lijkt zij aan te geven dat het mogelijk mislukken daarvan toch vooral op het conto van de moeders komt. Zij benoemt divers gedrag van kinderen, dat niet door de beugel kan. Er zijn klachten over sommige kinderen; zij duwen, pesten, praten er steeds doorheen, luisteren niet, of blijven niet netjes in de rij staan bij het instappen in de bus.

Op dit punt aangekomen roeren enkele moeders zich, en zeggen dat zij het dan wel graag willen weten wanneer er klachten zijn over hun kind. Ook noemen zij voorbeelden van situaties waarin het hun kinderen niet gemakkelijk werd gemaakt, en zeggen zij dat niet alle leerkrachten even goed met de kinderen omgaan. Nu mengt de leerkracht zich in het gesprek en maakt duidelijk wat haar perspectief is op de gezamenlijke verantwoordelijkheid: ze kan niet met iedere moeder gaan bellen als haar kind zich misdraagt. Wat er in de klas gebeurt is het pakje aan van de leerkracht, en de moeders moeten thuis hun verantwoordelijkheid nemen.

De directrice wijst de moeders vervolgens op hun voorbeeldrol: als zij niet rustig zijn, hoe kunnen hun kinderen dan rustig zijn? Net zo werkt het in de klas: als een leerkracht niet sterk genoeg is, reageren de kinderen daarop. Zij sluit af met een verwijzing naar het belang dat de school hecht aan een goede islamitische opvoeding. In de school is een moskee aanwezig, en het wordt gestimuleerd dat de kinderen, zeker als ze groter zijn, daar bidden.

Weldoeners

Na afloop praat ik met vijf vrouwen na. Drie van hen komen uit Dar‘aa, vlak over de grens in het Zuiden van Syrië. Dar‘aa was één van de plaatsen waar in 2011 de opstanden tegen het Syrische regime begonnen. In het geweld dat hierop volgde, zijn veel bewoners van Dar‘aa gevlucht; veel Syriërs uit Dar‘aa zijn dan ook al vier à vijf jaar in Jordanië. De andere twee vrouwen komen uit Damascus. Net als Amal komen zij uit de wijk Jobar, en zijn al aan het begin van de burgeroorlog gevlucht. Hun mannen zijn omgekomen in het oorlogsgeweld.

De sfeer is gelaten. De moeders zijn in het algemeen niet zo enthousiast over de school, maar waarderen het dat de directrice en de lerares naar hen zijn toegekomen. Het is maar een klein schooltje en de meeste leerlingen zijn de kinderen die hier in dit huis wonen. Door naar hen toe te komen, worden de meeste ouders van de kinderen in één keer bereikt. De school waar de kinderen opzitten is een privé-school. De meeste privé-scholen in Amman zijn duur, maar deze niet omdat de school en de kinderen gesponsord worden door rijke moslims uit Jordanië en Saoedi-Arabië. Het bieden van financiële ondersteuning aan weduwen en wezen zien zij als religieuze verplichting, kafalat. Deze weldoeners betalen ook de kosten van de huisvesting van de moeders en de kinderen.

De vrouwen leggen uit dat dit ook hard nodig is. Als Syriërs hebben ze nauwelijks de mogelijkheid om te werken, en voor hen is werken sowieso geen optie. Zij moeten voor de kinderen zorgen en zij hebben geen werkervaring. Van Unicef krijgen zij per gezin een bedrag van 100 Jordaanse Dinar per maand. Dat is te weinig om van te leven en er zijn op dit moment geen andere organisaties die hen steunen. Ze moeten dus heel zuinig zijn en elkaar helpen.

Toekomstperspectief

Zonder uitzondering willen zij terug naar Syrië. Het leven in Jordanië is zwaar en niet leuk. Ze voelen zich ongewenst. Jordanië heeft te veel Syrische vluchtelingen op haar grondgebied en de Jordaniërs hebben daar last van. Ze denken dat het de schuld van de Syriërs is dat de werkgelegenheid laag is en de prijzen hoog. Zij ervaren discriminatie en vijandigheid. In deze buurt zijn zij de enige Syriërs. Zij blijven het liefst binnen, om maar zo min mogelijk met vijandigheid geconfronteerd te worden. Eén van de vrouwen vertelt dat haar neef, de zoon van haar zus in Irbid, daar kort geleden in elkaar geslagen en bespuugd is. Haar neef is 18 en was het toen zo zat dat hij besloten heeft om naar Syrië te gaan, terug naar de oorlog. Haar zus vindt het verschrikkelijk.

Eigenlijk zitten ze in een fuik; ze kunnen geen kant uit. Verder migreren zit er voor hen niet in, want zij hebben geen paspoort en geen geld. Terug naar Syrië zouden zij heel graag willen, maar dat kan niet zo lang de oorlog voortduurt. Er zit dus niet veel anders op dan in Jordanië te blijven, hoewel ze het hier niet fijn vinden en geen enkel toekomstperspectief zien voor hun kinderen.

Ze vertellen dat jongens wanneer ze 12 à 13 jaar oud zijn het huis moeten verlaten. Onder die voorwaarde mogen ze hier wonen. Wanneer jongens geslachtsrijp zijn en seksuele interesse in vrouwen krijgen, is het niet meer toegestaan dat ze met zoveel vrouwen in huis wonen, die geen bescherming van een man krijgen. Gezinnen met jongens in die leeftijd moeten dan een woning gaan huren; zij krijgen daarbij hulp vanuit de woongemeenschap en blijven vaak in de buurt wonen. Praktisch betekent dit dat jongens dan moeten gaan werken om de huur en het levensonderhoud te betalen en dat zij van school afgaan. In het algemeen is alleen werk in de schoonmaak en in een restaurant bereikbaar. Meisjes kunnen soms iets langer naar school blijven gaan, maar vaak trouwen zij vroeg, omdat de moeders hen niet goed kunnen onderhouden.

Is het dan echt niet mogelijk om langer op school te blijven, en misschien door te leren, vraag ik hen? Nee, de moeders zijn allen zeer stellig, zonder vader is het niet mogelijk om te studeren. De enige kans zou zijn wanneer het hen zou lukken te trouwen met een Jordaniër, maar dat is in dit huis nog geen van de moeders gelukt.

Amal

Tijdens een taxirit in Amman, kwam ik toevallig met Amal in gesprek. Zij was één van de eerste Syriërs die ik hier ontmoette en stond er voor open om een afspraak te maken. Zij wilde mij wel meer vertellen over de situatie van jonge Syrische vluchtelingen in Jordanië.

Van Damascus naar Amman

Amal is opgegroeid in Jobar, een buitenwijk van Damascus. In Jobar woedt al jarenlang een heftige strijd tussen rebellen en het Syrische leger. Deze strijd heeft geleid tot een volledige exodus van de bewoners en tot totale verwoesting. Jobar is verworden tot een spookstad. Het wordt nog altijd bezet door rebellen van Al-Nusra, die van daaruit proberen hun invloed in Damascus uit te breiden.

Bij de acties rond Jobar zijn veel inwoners opgepakt en gevangen gezet, hoewel ze vaak niet betrokken waren bij het verzet. Dit lot trof vooral (jonge) mannen, waaronder een oom en een neef van Amal. De oom is in gevangenschap overleden; van de neef hebben ze al vier jaar niets gehoord. Amal vertelt dat haar neef 25 jaar was, en een paar jaar ouder dan zijzelf. Hij was net verloofd.

Amal is de oudste in een gezin met drie dochters en drie zoons. Het gezin is in 2012 Jobar ontvlucht. Ze kozen voor Amman, omdat ze hier mensen kenden en niet te ver van Syrië weg wilden; ze hoopten snel terug te kunnen keren. Met hun paspoorten en in hun eigen auto zijn zij naar Amman gereisd.

De hele familie van Amal woonde in Jobar en had een hechte band. Nu is de familie verspreid. Haar opa en oma wonen nu in een ander deel van Damascus, net als een broer en zus van haar moeder. Andere familieleden wonen in Turkije, Libanon, Egypte, Soedan, Saoedi-Arabië, Duitsland. Amal’s jongste zusje was een kleuter toen ze uit Damascus vertrokken. Amal vertelt dat zij telkens over Syrië praat, vooral over alle familie die daar was en die zij nu mist. Hier zijn ze alleen en dat is een groot verschil.

Studeren

Amal heeft in Damascus de basisschool en het voortgezet onderwijs doorlopen. Aansluitend heeft ze twee jaar Engels gestudeerd aan de Universiteit van Damascus. Op dit moment studeert ze Engels aan een van de vele universiteiten die Amman rijk is. Ze heeft geluk gehad, vindt zij zelf. Ze heeft een toelatingsexamen moeten doen en mocht toen in het tweede jaar van de opleiding starten; ze heeft dus één jaar ‘verloren’.

Het is allerminst vanzelfsprekend om als Syriër in Amman naar de universiteit te gaan. Amal kent maar weinig Syriërs op de universiteit. De reden ligt voor de hand: studeren is in Jordanië duur en dat geldt voor Syriërs in nog sterkere mate dan voor Jordaniërs; zij moeten meer betalen voor een studie. In Syrië was het onderwijs gratis. Amal’s geluk is dat zij vanuit twee bronnen financiële ondersteuning krijgt: een organisatie die zich inzet voor vluchtelingen, én de universiteit, die haar een beurs geeft vanwege haar hoge cijfers.

Ook Amal’s jongere broer studeert aan de universiteit. Zijn studie wordt betaald door hun oom in Syrië. Hij voldoet daarmee aan zijn religieuze verplichting tot zakaat, het doneren aan minder bedeelde geloofsgenoten, één van de vijf zuilen van de islam. Het is de vraag of hun jongere broer, die dit jaar eindexamen doet, ook zal kunnen studeren.

School

De jongere zussen en broers van Amal zitten op school. Haar jongste zusje en broer gaan naar een basisschool bij hen in de buurt. Zij krijgen les van Jordaanse leerkrachten, maar zitten nooit samen in de klas met Jordaanse kinderen. De Jordaanse kinderen gaan op de gewone lestijden naar school: ’s ochtends en het begin van de middag. Daarna gaan de Syrische kinderen naar school, meestal van 14.00 tot 18.00 uur. Zij krijgen les van dezelfde leerkrachten en gebruiken dezelfde boeken. In het voortgezet onderwijs gaat het op dezelfde manier. Volgens Amal zijn de taken van leerkrachten enorm verzwaard hierdoor, en zijn ze moe wanneer ze lesgeven aan de Syrische kinderen.

De lestijden zijn een probleem voor de kinderen. In de ochtend hebben zij niets te doen en tijdens een groot deel van het schooljaar is het donker als de school uitgaat. Het Midden-Oosten ligt dichterbij de evenaar en het duister valt snel en ook vroeger dan in meer noordelijk gelegen landen, zoals Nederland. Amal’s zusje en broer moeten altijd opgehaald worden, omdat ze bang zijn in het donker naar huis te lopen.

Levensonderhoud en Werk

Het gezin woont in een stadswijk in Amman waar veel Syriërs wonen, omdat de huren er laag zijn. In Damascus hadden Amal’s ouders een eigen huis, waardoor zij nauwelijks geld uit hoefden te geven aan wonen. Jordanië is een duur land; veel duurder dan Syrië. Tegelijk is het voor Syriërs verboden om te werken. Omdat het onmogelijk is te leven zonder een bron van inkomsten, zien veel Syriërs zich gedwongen om illegaal te werken tegen lagere lonen dan Jordaniërs. Ook Amal’s vader doet dit. Hij werkt op onregelmatige basis in een meubelwerkplaats. Hij neemt hiermee een risico: wanneer hij betrapt zou worden, zal hij uitgezet worden naar Syrië en niet terug kunnen keren. Hij heeft echter geen keuze. Ook Amal werkt illegaal wat bij, om haar familie te ondersteunen. Naast deze inkomsten, krijgen zij maandelijks voedselbonnen van Unicef.

Amal vertelt dat het voor sommig werk mogelijk is om bij het Ministerie van Werkgelegenheid een arbeidsvergunning te kopen. Ze weet niet precies hoe duur het is, maar wel dat het voor haar familie onmogelijk is om op te brengen; alleen echt rijke Syriërs kunnen zich dat veroorloven. Werk dat in aanmerking komt voor zo’n arbeidsvergunning is vooral in de handel en in de horeca. Voor het onderwijs, waar haar interesse ligt, is het onmogelijk om een werkvergunning te krijgen: alleen Jordaniërs mogen in het onderwijs werken.

Er zijn Jordaniërs die bereid zijn Syriërs te helpen, bijvoorbeeld door hen werk te bieden en af te spreken dat zij hen bij een eventuele controle zullen verbergen, of zullen doen alsof zij klant zijn of een toevallige passant. Volgens Amal hebben de Jordaniërs ook hun netwerken hiervoor, en bellen zij elkaar wanneer er controles zijn in een bepaalde wijk of branche. De reden dat Jordaniërs wel Syriërs in dienst willen nemen, is niet alleen omdat zij goedkoper zijn, maar ook omdat zij harde werkers zijn. Wij Syriërs pakken alles aan, zegt Amal.

Autorijden

Tijdens het eerste jaar in Amman, konden zij nog hun eigen auto gebruiken. Daarna werd er een wet aangenomen die het bezitten en besturen van auto’s door Syriërs verbood, vertelt Amal. Er waren in het begin veel Syrische auto’s in Amman; nu zie je ze nooit meer. Toen het bericht over de nieuwe wet kwam, heeft Amal’s vader de auto direct verkocht, omdat hij anders in beslag genomen zou worden. Volgens Amal betrof de nieuwe wet alleen Syriërs: Iraakse vluchtelingen in Jordanië, die vaak al langer in het land zijn, mogen wel autorijden. Net als een werkvergunning, kunnen rijke Syriërs ook een vergunning kopen waarmee zij auto mogen rijden, maar er zijn nauwelijks Syrische vluchtelingen die dit kunnen betalen.*

Amal vertelt over een Syrische jongen, die bij hen in de buurt woonde. Hij is betrapt toen hij in een auto reed en is naar het vluchtelingenkamp Zaatari overgebracht, dichtbij de Syrische grens. Van daaruit is hij enkele dagen later de grens met Syrië over gezet. Hij kon niet meer terugkomen naar Jordanië. Zijn familie heeft toen besloten om te vertrekken uit Jordanië. Zij wonen nu in de Verenigde Staten en zijn erin geslaagd om ook hem vanuit Syrië in de VS te krijgen.

Toekomstverwachtingen

Amal zal binnen een paar maanden afstuderen. Iets wat normaal gesproken een feest zou moeten zijn, bedrukt haar nu. Want wat daarna? In het onderwijs zal zij niet kunnen werken. Misschien lukt het haar om in het privéonderwijs aan de slag te komen; daar is de controle kleiner. Ze is somber over de situatie in Syrië en verwacht dat de oorlog nog lang kan duren. Haar liefste wens is terugkeren naar Syrië. Tegelijk wordt ze ook verdrietig als ze daaraan denkt, want niets zal meer zijn zoals het was: huizen zijn verwoest, veel mensen zijn naar het buitenland vertrokken en komen waarschijnlijk niet meer terug, anderen zijn dood. Vroeger bestaat niet meer.

Ondanks alles is Amal blij dat ze in Jordanië is. Zij vindt het fijn dat het dichtbij Syrië is, dat de taal hetzelfde is, en dat de manier van leven lijkt op wat zij is gewend. Veel Syriërs zijn inmiddels verder gemigreerd, meestal naar Europa. Zij gaan ervan uit dat ze nooit meer terug zullen gaan naar Syrië en zien geen toekomst in Jordanië; het lukt hier niet om in hun levensonderhoud te voorzien en om hun kinderen een opleiding te geven. Maar Amal moet er niet aan denken om naar Europa te gaan. Zij wil terug naar Syrië. Tot die tijd zal zij proberen om samen met haar familie het hoofd boven water te houden en een zo goed mogelijk leven te leiden in Jordanië, hoe moeilijk dat ook is.


* Na het schrijven van deze blog is mij uitgelegd dat dit geen nieuwe wet is. Mogelijk is het naleven van de wet strikter geworden, gezien de grote aantallen vluchtelingen uit Syrië, die naar Jordanië kwamen. Amal hoorde tot de eerste groep. Zij hebben dus kennelijk een jaar lang niets van de wet gemerkt, waardoor deze indruk is ontstaan. Het komt erop neer dat alleen mensen met een Jordaanse verblijfsvergunning of Jordaans staatsburgerschap auto mogen rijden. Iraki beschikken hier veelal over, terwijl Syriërs meestal alleen een identiteitskaart voor vluchtelingen hebben; deze heeft niet de status van verblijfsvergunning. Naast het gewone (Jordaanse) rijbewijs bestaat er een internationaal rijbewijs, dat gekocht kan worden. Vermoedelijk is dit het ‘dure rijbewijs’ waarop Amal doelt.

Beperkingen ten aanzien van werken en autorijden door vluchtelingen bestaan in veel landen. Ook in Nederland mogen Syriërs pas auto rijden wanneer zij een verblijfsvergunning hebben, en bovendien geslaagd zijn voor hun Nederlandse theorie- en praktijkexamen. Voor veel mensen is dat een grote financieel obstakel. Een verschil is dat Syriërs in Nederland in het algemeen wel een (tijdelijke) verblijfsvergunning krijgen. 

Gastgezin

Mijn eerste week in Jordanië heeft in het teken gestaan van kennismaking, veel studeren, de weg leren vinden in Amman. Maar ook van het wennen aan mijn nieuwe woonsituatie: van een druk gezinsleven als moeder van drie grote zoons, aan een leven als ‘student op kamers’ bij een gastgezin. Jamil en Saïda heten zij, mijn ‘gastouders’. Beide zijn begin zestig, ongelooflijk gastvrij, altijd goed gehumeurd, en gemakkelijk in de omgang. Met grote vanzelfsprekendheid hebben ze mij opgenomen in hun dagelijks leven. Vanaf het begin voelde ik me thuis.

Ze wonen op de eerste verdieping van een portiekwoning in West-Amman, op loopafstand van Al-Mashriq, het taalinstituut waar ik iedere ochtend heen ga. De woning had oorspronkelijk twee verdiepingen: ook het souterrain hoorde erbij, maar daar woont nu hun oudste zoon met zijn vrouw en dochter.

Koken

De keuken is de centrale plaats in het huis. Als Jamil en Saïda thuis zijn, zitten zij daar. Of eigenlijk staan ze er meestal: samen koken. ’s Ochtends vind ik een heerlijk ontbijt op de keukentafel; vaak zijn zij zelf dan al weg, soms is Saïda nog thuis. Eind van de middag eten we meestal samen. Saïda houdt niet van koken en zegt dat Jamil het beter kan dan zij. Jamil probeert graag dingen uit en houdt van pittig eten, een overblijfsel van zijn langdurige verblijf in Pakistan. Saïda doet vooral het voorbereidende werk en ruimt na afloop op. Als zij in de pannen aan het roeren is, komt hij meestal kijken of het wel goed gaat. Tijdens een van de maaltijden, halen zij samen herinneringen op aan mislukte gerechten die Saïda vroeger gemaakt heeft, toen ze nog wel eens pogingen deed om een goede huisvrouw te zijn. Ze lachen er allebei hard om.

Palestijnen

Jamil en Saïda zijn Palestijnen, net als meer dan de helft van de bewoners van Jordanië. Na de stichting van de staat Israël, in 1948, hoorde de Westelijke Jordaanoever bij Jordanië. In 1967 bezette Israël dit gebied, tijdens ‘de zesdaagse oorlog’. Een gevoelig verlies voor Jordanië, omdat de Westoever vruchtbaar is en Jordanië grotendeels bestaat uit droog woestijnlandschap. In 1988 gaf Jordanië de Westoever op, nadat de eerste intifada was begonnen, de Palestijnse volksopstand die zich richtte tegen de Israëlische bezetting, en nadat de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO een onafhankelijke Palestijnse staat uitriep.

De meeste Palestijnen in Jordanië zijn in 1948 of in 1967 naar Jordanië gevlucht. Anders dan in Syrië en Libanon, konden Palestijnen in Jordanië het Jordaans staatsburgerschap krijgen. Een aanzienlijk deel van hen heeft dit staatsburgerschap, maar er is ook een deel dat dit niet wil. Zij vinden dat Palestina hun thuisland is; een Jordaans staatsburgerschap zou de indruk kunnen wekken dat hun probleem is opgelost. Deze groep leeft veelal in vluchtelingenkampen. Palestijnen in Jordanië spelen een belangrijke rol in de economie, maar hebben nauwelijks invloed op de politiek. Politieke invloed, evenals werken voor veiligheidsdiensten, is voorbehouden aan (koningsgezinde) ‘autochtone’ Jordaniërs.

De ouders van Jamil zijn geboren en opgegroeid in een dorpje in de buurt van Nablus, op de Westelijke Jordaanoever; de ouders van Saïda komen uit de kuststad Haifa in het huidige Israël. Een deel van de familie van Saïda en Jamil woont op de Westelijke Jordaanoever. Af en toe komen zij naar Amman, maar omgekeerd staat Israël dit niet toe.

Wereldburgers

Jamil en Saïda hebben op veel plaatsen gewoond. Als kleine jongen is Jamil naar Koeweit verhuisd, omdat zijn vader daar werk had gevonden als accountant op een ministerie. Al decennia lang werken er in de Golfstaten veel arbeidsmigranten uit andere Arabische landen, onder hen veel Palestijnen. In de Golfstaten is meer werk en de lonen zijn hoger.

Nadat Jamil in Koeweit de middelbare school had afgerond, is hij gaan studeren in Pakistan. Veel jongeren uit gezinnen van arbeidsmigranten gingen voor hun studie naar Pakistan, omdat studeren in Koeweit moeilijk was. Jamil is begonnen met een studie natuurkunde in Lahore, maar is na drie jaar overgestapt naar geneeskunde. Het viel aanvankelijk niet mee om zich als 17-jarige, zonder familie, thuis te gaan voelen in dit andere land. Maar in de loop van de tijd ging hij het steeds meer waarderen: het zelfstandig zijn, de Pakistaanse keuken, de mooie natuur. Uiteindelijk zou hij er zelfs negen jaar blijven, waarvan vijf jaar samen met Saïda. In de zomervakanties ging hij naar Koeweit, naar zijn ouders; daar zijn Saïda en hij ook getrouwd.

Saïda is op latere leeftijd dan Jamil vanuit Amman naar Koeweit gekomen, eveneens vanwege werk van haar vader, en heeft er ook gestudeerd: biologie. Kort na haar afstuderen is ze getrouwd met Jamil en meegegaan naar Pakistan. Voor beide waren de jaren in Pakistan heel gelukkig. Ze hadden veel vrienden en een mooi leven.

Tijdens hun laatste jaar in Pakistan, werd hun oudste zoon geboren. Toen hij een paar maanden oud was zijn ze naar de Verenigde Staten vertrokken: Jamil ging zich daar als arts specialiseren en Saïda heeft er een masteropleiding Public Health gedaan.

Omdat Jamil niet goed kon aarden in de VS en verlangde naar zijn familie, die na het pensioen van zijn vader weer in Amman woonde, zijn ze na drie jaar definitief teruggekeerd naar Amman. Ook Saïda’s familie woonde daar inmiddels weer. Hun tweede zoon werd nog in de VS geboren, hun jongste zoon in Amman.

Verdriet

Jamil vertelde me als eerste over het drama dat hen zes jaar geleden heeft getroffen: hun tweede zoon, Mahmoud, is toen plotseling overleden. Hij had vanwege zijn geboorte in de Verenigde Staten, de Amerikaanse nationaliteit. Toen hij 18 was, heeft hij besloten om naar Amerika te gaan, waar hij zes jaar later is overleden aan een verwaarloosde ziekte. Jamil zegt dat hij veel steun haalt uit zijn geloof en het daarom inmiddels kan accepteren, maar dat het voor Saïda nog altijd heel moeilijk is. Saïda vertelt later over Mahmoud dat hij een stille, gesloten jongen was. Hij praatte weinig. In de VS woonde hij alleen toen het gebeurde. Misschien moest het zo zijn, heeft hij nu zijn rust. Saïda heeft een open en mooi gezicht, en doorgaans lacht zij veel. Alleen als zij over Mahmoud praat is aan haar te zien dat ze een groot verdriet met zich meedraagt. Hij is steeds in mijn gedachten, zegt zij, het leven heeft zijn glans verloren.

Werk en geld

Jamil heeft na hun komst in Amman bijna tien jaar in een privé-kliniek gewerkt. In die tijd maakte hij lange werkdagen en moest hij vrijwel altijd bereikbaar zijn. Na de dood van Mahmoud wilde hij een rustiger leven en is hij arts geworden op een privé-school. In de Jordaanse wet zijn scholen met meer dan vijfhonderd leerlingen verplicht om een arts op school te hebben.

Saïda heeft in Amman tien jaar gewerkt op de open universiteit. Nu zorgt zij samen met haar zus voor haar oude moeder. Vaak gaat zij al ’s ochtends vroeg de deur uit en komt pas halverwege de middag weer thuis.

Saïda vertelt dat Jamil binnenkort wel zou willen stoppen met werken; hij is moe. Wat hen nog tegenhoudt is hun jongste zoon Samir, die in Beirut geneeskunde studeert. In Jordanië worden Palestijnen beperkt toegelaten aan de universiteit; de quota zijn ook aan cijfers gekoppeld en de cijfers van Samir waren net niet hoog genoeg. De studie in Beirut is duur. Saïda vertelt dat ze bijna het hele pensioengeld van Jamil hebben opgenomen en uitgegeven aan de studie van Samir. Gelukkig is Samir inmiddels met zijn laatste studiejaar bezig, maar hierna moet hij zich nog gaan specialiseren. Dat wil hij in de Verenigde Staten gaan doen. Er is een rijke kennis in de VS die hierbij misschien kan helpen. Soms maakt ze zich zorgen over hoe het moet als Jamil straks met pensioen is. Gelukkig heeft zij zelf nog wel haar pensioengeld, maar dat is niet voldoende. Hun oudste zoon verdient te weinig om bij te kunnen springen. Alle hoop is gevestigd op Samir: het geld dat in zijn studie is geïnvesteerd zal zich hopelijk later terugverdienen.

Ten slotte

Het is bijzonder om getuige te zijn van hoe twee mensen, die ik een week geleden nog niet kende, met elkaar omgaan. Ze hebben samen veel meegemaakt en lijken tot de stellen te horen bij wie dit de band bekrachtigt; ze doen veel samen, lachen veel, praten met respect over elkaar. Zij knopen de touwtjes aan elkaar, en doen dat creatief én met volle aandacht. Met grote zorgvuldigheid gaan zij om met restjes: de schillen van uitgeperste citroenen worden gebruikt om olijven in te maken en vervolgens als marinade voor kip; het koude water dat uit de douche komt voor het is opgewarmd, wordt opgevangen in een bak en later gebruikt voor het koken. Bij het verhuren van de kamer speelt zonder twijfel mee dat zij het geld hard nodig hebben. Toch is het laatste wat zij doen de indruk wekken dat ik de zoveelste logé ben die zij over de vloer hebben. Hun hartelijkheid en gastvrijheid is oprecht; wat een mazzel dat ik bij hen ben terecht gekomen.

Blog

Geplaatst op 23 november 2016 in de categorie Mijn reis naar Jordanië

Woongemeenschap

In de vorige blog kwam Amal aan het woord, die vindt dat zij geluk heeft gehad omdat ze hier kan studeren. Heel anders is de situatie van een groep Syrische weduwen en hun kinderen, die met elkaar een portiek bewonen in een buitenwijk van Amman.

Geplaatst op 08 november 2016 in de categorie Mijn reis naar Jordanië

Amal

Tijdens een taxirit in Amman ontmoette ik Amal, afkomstig uit Damascus. Zij wilde wel met mij afspreken en mij vertellen over de situatie van jonge Syrische vluchtelingen in Jordanië. De naam Amal is fictief; traceerbare persoonskenmerken zijn bewerkt.

Geplaatst op 31 oktober 2016 in de categorie Mijn reis naar Jordanië

Gastgezin

Deze tweede blog uit Jordanië geeft een inkijkje in het leven van en met de mensen bij wie ik in huis woon. Hun verhaal is verweven met ‘grote verhalen’, waarmee mensen in Jordanië en andere landen in de omgeving te maken hebben. Het vertelt dan ook meer dan alleen hun eigen verhaal. De namen in deze blog zijn fictief.