Hier ruik ik de geur van mijn land

Syrische vluchtelingen in Jordanië wonen overwegend in Jordaanse steden, zoals de Syriërs die ik in Amman en Irbid sprak. Twintig procent leeft echter in een vluchtelingenkamp, waarvan een groot deel in Zaatari. Zaatari is het grootste vluchtelingenkamp in het Midden-Oosten en het op één na grootste vluchtelingenkamp ter wereld. Het ligt in droog woestijnlandschap in het noorden van Jordanië, vlakbij de stad Mafraq en op 6 kilometer van de grens met Syrië. Er wonen 80.000 mensen; iedere dag worden er 80 baby’s geboren.

Deze blog is gebaseerd op gesprekken met een hulpverlener in Zaatari, Syriërs die er gewoond hebben, en op artikelen uit Jordaanse media en een reportageserie van Sky News Arabia. Ik heb Zaatari niet zelf bezocht; het lukte niet om op tijd – voor mijn vertrek – toestemming van de veiligheidsdiensten te krijgen.

Het begin

Zaatari is in 2012 door de Jordaanse regering en de UNHCR opgericht, en al snel na de start werden de eerste hulporganisaties actief in het kamp; inmiddels zijn dat er 47. Hayat is een jonge Jordaanse sociaal werkster, die tot de eerste hulpverleners hoort en alle fases van Zaatari heeft meegemaakt. Zij vertelt dat Zaatari in het begin een ‘lange straat met tenten’ was. Er waren provisorische openbare toiletten en douches; eten en water werd van buiten naar het kamp gebracht. Het water werd in grote flessen gebracht, die bevroren waren bij aankomst, zodat het een tijdje koel bleef. De warme maaltijden moesten meteen gegeten worden, omdat er geen koelkasten waren om het te bewaren en geen keuken om het op te warmen. Vooral tijdens de vastenmaand Ramadan was dit zwaar, omdat het eten eerder werd gebracht dan het moment van het verbreken van de vasten.

Na enkele maanden kwam er een grote gedeelde keuken. Hulporganisaties deelden per gezin voorraadpotten en basisartikelen uit, zoals rijst, bulghur, kikkererwten, olie, zout, suiker, blikvoedsel. Doordat er meer organisaties bij het kamp betrokken raakten en de coördinatie verbeterde, kon er een infrastructuur opgezet worden en kwam er geleidelijk aan meer privacy. Mensen kregen bij hun tent een eigen toiletcabine met afvoer, zodat zij niet meer afhankelijk waren van de publieke toiletten.

Opbouw van een nieuwe stad

Na twee jaar kwamen de eerste containerwoningen in het kamp. Donoren uit verschillende landen droegen daaraan bij: in ruil voor hun tent, kreeg ieder gezin een containerwoning. Een gezin van zes personen heeft recht op één tent of containerwoning; een gezin van zeven tot twaalf personen krijgt er dus twee.

Inmiddels zijn alle tenten verdwenen en worden nieuwe containerwoningen standaard geleverd met keuken, toilet en badkamer. De gemeenschappelijke douches en keukens zijn niet meer nodig. Iedere familie die nieuw binnenkomt in Zaatari, krijgt een eigen nieuwe containerwoning, die zij mogen houden. Wanneer het gezin na de oorlog terug wil naar Syrië, dan mag de containerwoning mee als (voorlopige) huisvesting.

Een deel van de bevolking van Zaatari is erin geslaagd om in het kamp te werken. Er zijn winkels, restaurants, koffiebars opgezet door inwoners. Anderen bieden hun diensten aan als kleermaker, technicus, fietsenmaker, schoenmaker. Vrijwel alles is te krijgen: van shoarma en pizza’s tot bruidskleding. De hulporganisaties hebben ook mensen uit Zaatari in dienst, zij het onder het label van vrijwilliger. Omdat Syriërs niet (in overheidsdienst en voor organisaties) mogen werken in Jordanië, kunnen zij niet formeel in dienst worden genomen. Als vrijwilliger krijgen zij aan het eind van de maand echter wel een tegemoetkoming. Het bedrag daarvan verschilt per organisatie, en ligt ongeveer tussen 250 en 320 euro. Bij de organisatie waar Hayat werkt, werken alleen al zo’n 150 vrijwilligers.

Ook al werken er Syriërs bij de hulporganisaties en in door hen zelf opgezette bedrijfjes, een aanzienlijk aantal bewoners van Zaatari heeft geen werk, en is volledig afhankelijk van hulp. Hayat ziet dit als belangrijkste uitdaging voor Zaatari. Zonder extra inkomsten is het heel moeilijk om rond te komen. Bovendien zorgt werk voor afleiding, waardoor mensen niet steeds bezig zijn met alles wat zij hebben meegemaakt en achtergelaten.

Opgroeien in Zaatari

Kinderen in Zaatari gaan tegenwoordig allemaal naar school. Hayat vertelt dat er in het begin ouders waren die hun kinderen thuis hielden, omdat zij dachten dat het Jordaanse onderwijs in Syrië niet geldig zou zijn, of omdat zij niet wilden dat hun kind in een lagere klas zou starten dan de klas waarin het kind in Syrië had gezeten. Volgens Hayat is dat soms nodig, omdat de onderwijssystemen in Syrië en Jordanië verschillen. Ouders begrijpen nu dat het nog lang kan duren voor zij terug kunnen naar Syrië, en dat het belangrijk is dat hun kinderen intussen verder leren; dan kunnen zij straks bijdragen aan de wederopbouw van Syrië en een nieuw leven opbouwen.

Een kleine groep jongeren in Zaatari krijgt na hun eindexamen een beurs om aan de Jordaanse universiteit te studeren; ook is er een kleine groep die een studiebeurs ontvangt van internationale organisaties, om in het buitenland te studeren. Het grootste deel van de jongeren in Zaatari heeft echter minder geluk en heeft niet de mogelijkheid om te studeren.

In een reportage van Sky News Arabia, komt Umaima aan het woord, een 13-jarig meisje uit Zaatari. Zij vraagt aandacht voor het grote risico dat jonge meisjes lopen, door te moeten trouwen op jonge leeftijd. Umaima is zich hiervoor in gaan zetten, nadat een vriendinnetje op 13-jarige leeftijd ging trouwen. In Zaatari trouwen sommige meisjes zelfs op nog jongere leeftijd. Umaima wil meisjes en hun ouders hiervoor waarschuwen. Om weerbaar te worden, een goed leven te kunnen leiden, en om na de oorlog een bijdrage te kunnen leveren aan de wederopbouw van Syrië, is het van groot belang dat meisjes goed opgeleid zijn. Bovendien zijn er grote gezondheidsrisico’s voor meisjes als ze zo jong trouwen: lichamelijk en geestelijk zijn zij nog niet klaar voor een huwelijk en het krijgen van kinderen; er kunnen allerlei complicaties optreden.

Umaima vertelt dat jonge meisjes het zelf nog niet goed kunnen begrijpen. Zij benaderen het soms als spel en denken dat het leuk is; zij verheugen zich op een mooie jurk en mooi haar. Maar zij weten niet wat er echt gaat gebeuren. Umaima voert onder andere actie via Facebook, en spreekt in het kamp regelmatig voor groepen ouders en kinderen. Inmiddels geniet zij zoveel naamsbekendheid dat ook hulporganisaties en buitenlandse onderzoekers geïnteresseerd zijn in haar verhaal.

Wachten op de toekomst

Vluchtelingenkampen die lang bestaan, zoals de talrijke Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon, Jordanië en Syrië, kunnen op den duur nieuwe steden worden of opgaan in bestaande steden. De huisvesting krijgt meer permanente trekken en mensen bouwen een nieuw bestaan op in het kamp. Het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk in Damascus, week – voor de oorlog – niet bijzonder af van andere volkswijken in Damascus. Ook Zaatari lijkt steeds meer het karakter van een stad te krijgen, al hopen veel inwoners erop dat het een tijdelijke stad is.

Hulpverleenster Hayat denkt dat het leven in Zaatari, zoals het nu is, voor Syriërs beter is dan buiten Zaatari. Syriërs buiten het kamp krijgen minder hulp en hebben hogere uitgaven. Buiten het kamp moeten zij huur betalen voor een woning en betalen zij voor voorzieningen. In Zaatari zijn alle voorzieningen gratis, zoals gezondheidszorg en onderwijs, en geven mensen niets uit aan huisvesting; ook is er gratis stroom, hoewel alleen tussen 16.00 en 2.00 uur. Voor Syriërs buiten de kampen is het meestal heel moeilijk om rond te komen, vooral sinds de vermindering van voedselhulp door de VN in 2015, vanwege geldtekorten.

In de reportage waarin Umaima aan het woord komt, komt ook een kunstenaar uit Zaatari aan het woord. Hij ziet het als taak van kunstenaars om zoveel mogelijk herinneringen aan Syrië te tekenen, te schilderen, of na te bouwen. Op die manier worden de herinneringen bewaard. Door dat zo gedetailleerd mogelijk te doen, kan het helpen om Syrië na de oorlog opnieuw op te bouwen, zoveel mogelijk zoals het was. In zijn atelier staan schilderijen en beelden van plaatsen in Syrië, van typerende gebruiksvoorwerpen en rituelen, en er staan maquettes van de citadel van Aleppo en van Palmyra.

De kunstenaar bevestigt het beeld van Hayat dat het leven in het kamp financieel gemakkelijker is dan erbuiten, omdat je buiten het kamp niet mag werken. Tegelijk ervaart hij het kamp als gevangenis. Om eruit te kunnen moet hij minimaal een dag van tevoren een vergunning aanvragen. Daarom blijft hij liever in het kamp; hij heeft geen zin in de wachtrijen bij het kantoor van de veiligheidsdienst.

Verder migreren naar Europa is voor hem geen optie. Hij blijft in Zaatari, dichtbij Syrië, want ‘hier ruik ik de geur van mijn land’. Wel voorziet hij dat het nog lang kan duren, en daarom zou hij willen dat er in het kamp geïnvesteerd wordt. Wat hij het liefst zou willen is bomen in Zaatari. Hij mist het groen uit Syrië.

________________________________________________

Deze blog is geschreven na terugkomst uit Jordanië

Foto: ©Foreign and Commonwealth Office; Flickr

Gastvrijheid onder druk

Niet alleen Syriërs lijden onder de consequenties van hun gedwongen verblijf in Jordanië. Hun aanwezigheid trekt ook een zware wissel op de Jordaanse samenleving en zet relaties tussen Jordaniërs en Syriërs onder druk.

Jordanië heeft altijd vluchtelingengroepen opgevangen, en die maken een aanzienlijk deel uit van de bevolking. Door de komst van de vele Syriërs is de bevolking in de afgelopen zes jaar met 3 miljoen gegroeid tot een inwonertal van ruim 9 miljoen. Bijna een derde daarvan is vluchteling. Palestijnen met het Jordaanse staatsburgerschap zijn daarin niet meegerekend. Als je hen mee zou rekenen dan zou de bevolking van Jordanië voor veruit het grootste deel uit vluchtelingen bestaan. In de periode tussen 1991 en 2003 zijn door de Golfoorlogen veel Iraki naar Jordanië gekomen. Naast hen is er een aanzienlijke groep Egyptenaren, en zijn er kleinere groepen, uit onder andere Jemen en Libië. Veruit de grootste groep niet-Jordaniërs zijn echter de Syriërs die vanaf het begin van de oorlog in 2011, naar Jordanië zijn gekomen. Het officiële aantal Syriërs dat bij de UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees) is geregistreerd is ruim 655.000, maar het reële aantal wordt geschat op 1,4 miljoen. Ongeveer de helft van de Syriërs is niet geregistreerd om uiteenlopende redenen, zoals angst dat verlies van anonimiteit tot onveiligheid leidt, of vanwege het ontbreken van persoonsbewijzen.

Voor het perspectief: in Nederland zijn er zo’n 64.000 Syriërs op een inwonertal van 17 miljoen.

Buren

Ruim de helft van de Syriërs in Jordanië komt uit Dar‘aa en omgeving, vlakbij de grens. Er is altijd veel uitwisseling geweest tussen het noorden van Jordanië en het zuiden van Syrië. Er werd handel gedreven en er vonden huwelijken plaats tussen Jordaniërs en Syriërs. Doordat de grenzen in het Midden-Oosten na de Eerste Wereldoorlog kunstmatig zijn vastgesteld door Engeland en Frankrijk, kon het gebeuren dat een deel van de familie in Syrië woonde en een ander deel in Jordanië. Aanvankelijk vond de opvang van Syriërs dan ook met grote vanzelfsprekendheid plaats, en boden Jordaniërs hen zelfs onderdak in hun eigen huizen.

Een bezoek aan Irbid maakt duidelijk dat de oorlog in Syrië veel druk legt op buurland Jordanië. Irbid ligt op 20 kilometer van de Syrische grens en zo’n 20% van de bevolking is Syrisch vluchteling. Op het kantoor van een lokale organisatie die zich inzet voor kwetsbare gezinnen, heb ik een gesprek met drie vrijwilligers: de Jordaanse Samira, en Rama en Shireen uit Syrië. Samira is begin twintig, Rama en Shireen een paar jaar ouder.

In eerste instantie benadrukken alle drie dat er geen sociale problemen zijn tussen Jordaniërs en Syriërs. De organisatie zet bewust in op programma’s voor zowel Syrische als Jordaanse ouders en kinderen. Er zijn veel overeenkomsten tussen de Syrische en de Jordaanse doelgroep van de organisatie: we zijn één familie, zegt Rama. De overeenkomsten in taal, cultuur en leefomgeving, maken Jordanië voor Syriërs een prettig land om te verblijven. Maar er zijn weldegelijk problemen, en die zetten de goede relatie tussen Jordaniërs en Syriërs onder druk.

Concurrentie

In eerdere blogs kwam al naar voren dat Syriërs in Jordanië beperkte mogelijkheden hebben om te werken en in hun levensonderhoud te voorzien. Maar ook Jordaniërs hebben te maken met economische problemen. De werkloosheid is groot, vooral onder jongeren. Syriërs worden vaak gezien als concurrenten op de arbeidsmarkt, omdat zij goedkoper zijn en bereid zijn meer uren te werken. Daarnaast zijn zij ook concurrenten op de huizenmarkt. Huren van woningen zijn fors gestegen sinds de Syrische burgeroorlog. Om geld te besparen delen veel Syriërs woningen of wonen zij veel te klein.

Rama en Shireen vertellen dat sommige huisbazen daarom Syrische huurders verbieden om gasten te ontvangen, of alleen verhuren aan gezinnen met een beperkt aantal kinderen. Zij zien dit als discriminatie; de huurder heeft er recht op, zolang hij netjes de huur betaalt, om in zijn huis te ontvangen wie hij wil. Samira ziet het anders. Zij vertelt over de Syrische familie die bij hen beneden in het portiek woont. Er lopen steeds volslagen onbekenden in en uit, ze heeft geen idee meer wie er wel en niet woont. Ze voelt zich daardoor minder veilig thuis.

Water

Naast concurrentie op de banen- en huizenmarkt, legt de massale aanwezigheid van Syriërs druk op voorzieningen als scholen, openbaar vervoer, winkels, afval- en reinigingsdiensten. Het is om die reden dat overheidsscholen dubbele roosters zijn gaan draaien, waarbij op grote scholen ’s ochtends de Jordaanse kinderen naar school komen en ’s middags de Syrische kinderen.

Bovendien legt het druk op water- en elektriciteitsvoorzieningen. Jordanië is een zeer droog land en kampt met grote watertekorten. Het land bestaat voor 90% uit woestijn. De groei van de Jordaanse bevolking en het grote waterverbruik van Israël, maken dat de rivier de Jordaan inmiddels niet veel meer is dan een sloot en dat het waterniveau van de Dode Zee met ongeveer een meter per jaar daalt.

Er ontspint zich een discussie hierover tussen Rama, Shireen en Samira. Samira laat blijken dat zij zich ergert aan het gemak waarmee Syriërs in haar ogen met water omgaan. “Waarom kiepen jullie zo vaak emmers water over de vloer om schoon te maken?”, vraagt ze aan Rama en Shireen, “dat is niet goed in een land met zo weinig water.” Rama en Shireen vinden dat iedereen het recht heeft op zijn eigen opvattingen over wat schoon is. Zij zijn het zo gewend. Rama noemt als grappig voorbeeld dat als een Jordaniër limonade op het vloerkleed morst, hij een glaasje water over de vlek giet; een Syriër gaat meteen het hele kleed wassen.

De discussie roept herinneringen wakker aan mijn tijd in Syrië en de schoonmaakwoede van veel vrouwen die ik kende; zij hechtten grote waarde aan een schoon huis. Dat hing mede samen met religieuze opvattingen over reinheid: voor iedere vrijdag en voor iedere islamitische feestdag werd het huis, net als het eigen lichaam, aan een grondige schoonmaakbeurt onderworpen.

Vroegtijdig schoolverlaten

Zowel vanuit lokale als internationale hulporganisaties is er toenemende aandacht voor de risico’s die kinderen en jongeren lopen op vroegtijdig schoolverlaten en op het moeten werken of trouwen op jonge leeftijd. Samira, Rama en Nisreen zien dit als één van de grootste problemen. Volgens hen ligt er extra veel druk op jongens en mannen, omdat zij als kostwinner gezien worden. Door de financiële problemen van Syriërs in Jordanië, verlaten veel jongens vroeg de school om te gaan werken. Soms kiezen families daar voor omdat kinderen een minder groot risico lopen betrapt te worden op illegaal werken. Maar soms ook omdat de vader in de oorlog is omgekomen of gehandicapt geraakt; de zoons zijn dan vaak degenen die gaan werken. Oudere jongens verkiezen vaak werk boven een studie of een cursus, omdat zij geld nodig hebben om te kunnen trouwen.

De oorlog en de situatie in Jordanië brengt voor meisjes andere risico’s mee. Vooral in arme gezinnen trouwen meisjes soms op zeer jonge leeftijd. De zorg voor hen drukt dan niet meer op de schouders van de ouders, maar op die van de echtgenoot. Veel Syriërs uit de omgeving van Dar‘aa komen van het platteland en hebben relatief weinig opleiding. Vroege huwelijken kwamen bij hen ook in Syrië voor. Rama, Shireen en Samira zien hier een duidelijke rol voor hun organisatie: werken aan bewustwording van kinderrechten en mensenrechten. Samira ziet dat veel Syrische vrouwen in Jordanië ontdekken dat zij rechten hebben, en daardoor mondiger worden.

Generaties en toekomst

De consequenties van de oorlog en het leven in ballingschap kunnen sterk uiteenlopen voor mensen van verschillende leeftijden. Rama en Shireen zeggen over zichzelf dat zij geluk hebben gehad, omdat zij hun bacheloropleiding nog net af hebben kunnen ronden in Syrië. Shireen’s jongere zus was net met een studie begonnen en kan nu niet meer studeren. Voor haar broer van 16 is geen plaats op de middelbare school in Irbid; hij heeft dus zelfs zijn school niet af kunnen maken.

Rama is thuis de jongste. Ze heeft een zus en een broer in Syrië en een zus die nu met haar man in Duitsland woont. Ze zou niets liever willen dan ook naar Duitsland gaan: een nieuwe omgeving, een nieuwe taal, een nieuwe toekomst. Maar ze mag niet van haar ouders. Zij is het enige kind dat haar ouders hier hebben, en ze moet aan hen denken.

Zowel de ouders van Rama als Shireen willen niet naar Europa. Mijn vader wil niet in Europa sterven, zegt Shireen. Emigreren naar een compleet ander land is niets voor oude mensen, vinden beiden. Daarvoor moet je jong en flexibel zijn.

Over hun eigen toekomst durven ze nauwelijks na te denken. Shireen zou het liefst verder studeren, een masteropleiding. Ze heeft de leeftijd om te trouwen, maar trouwen zit er niet in. Syrische mannen hebben meestal geen geld en geen werk. Beide zijn het erover eens dat trouwen alleen een optie is wanneer het voldoende perspectief voor hun kinderen zou bieden. Hun eigen wensen of belangen zijn daaraan ondergeschikt. Trouwen met een Jordaniër zou betekenen dat ze hier blijven en niet meer naar Syrië gaan. Dat willen ze niet, hoewel er volgens hen veel Syrische vrouwen zijn die dit wel een aantrekkelijk perspectief vinden. Het geeft hun rechten en de mogelijkheid zich in Jordanië te settelen.

Samira voegt toe dat het ook voor Jordaanse mannen aantrekkelijk kan zijn, omdat trouwen met een Jordaans meisje meestal duurder is. Een man moet bij een huwelijk niet alleen in staat zijn om zijn vrouw te onderhouden en onderdak te bieden, maar haar ook een bruidsprijs betalen. En Jordaanse jonge mannen hebben ook moeite om voldoende werk en inkomsten te krijgen. Er is dus ook concurrentie op de huwelijksmarkt, besluit zij lachend.

________________________________________________

Naast de interviews zijn voor dit blog verschillende, deels Arabische bronnen, gebruikt. Geïnteresseerden kunnen ze bij mij opvragen.

Woongemeenschap

In de vorige blog schreef ik over Amal, die studeert aan de universiteit in Amman. Zij zei over haar eigen situatie dat ze geluk heeft gehad, ook al is het niet gemakkelijk. Een bezoek aan een woongemeenschap van Syrische weduwen en hun kinderen toont dat het leven van Syriërs in Jordanië inderdaad nog veel complexer kan zijn. Islamitische liefdadigheidsorganisaties nemen hierin een rol, waarbij zij de weduwen en de kinderen steunen en tegelijk hun eigen boodschap uitdragen.

De families wonen in een buitenwijk van Amman, nog niet zo lang geleden een dorp, maar nu opgeslokt door de snel uitdijende stad. Het straatbeeld verraadt dat dit een arme buurt is. Roestige auto’s en dito auto-onderdelen voor vage werkplaatsen, sjofel geklede mannen op straat die ogenschijnlijk weinig omhanden hebben, groezelige huizen en gebouwen, zwerfkatjes op zoek naar etensresten tussen het huisvuil op straat, en overal rondwaaiend stof. Ik word afgezet bij een portiekwoning van vijf verdiepingen. In dit gebouw wonen bijna twintig Syrische oorlogsweduwen met hun kinderen. Abu Mohammed is de enige man in dit gebouw: hij ziet toe op de beveiliging van de vrouwen en kinderen en regelt afspraken – zoals met mij – en zorgt dat de dingen die in het huis moeten gebeuren, gedaan worden. Met zijn vrouw en drie kinderen woont hij op de begane grond, waar hij ook een kantoor heeft. Hij komt ook uit Syrië en doet zijn werk vrijwillig.

Ik ben uitgenodigd om bij een bijeenkomst te zijn met de directrice van de school van de kinderen, en een van de leraressen. Abu Mohammed ontvangt mij in zijn kantoor, en even later komen daar ook de directrice en de lerares aan. Gezamenlijk gaan wij naar een ontvangstkamer achterin het gebouw, waar de vrouw van Abu Mohammed ons opwacht met thee en de door mij meegebrachte koekjes. Er zitten zo’n tien vrouwen in de kring, en na de begroeting steekt de directrice meteen van wal. Ze heeft een puntenlijstje bij zich, dat ze af wil werken.

Seksuele opvoeding en hygiëne

Een belangrijke boodschap van haar aan de vrouwen is dat zij er op toe moeten zien dat hun kinderen zich goed wassen en schoon zijn. Ze gaat heel expliciet in op seksuele opvoeding en het geslachtsrijp worden van jongens en meisjes. Zij zegt dat de vrouwen nu de rol van moeder én van vader hebben. Zij moeten niet alleen met hun dochters maar ook met hun zoons een vertrouwensrelatie opbouwen en met hen bespreken hoe hun lichaam zich ontwikkelt. Het is geen schande om daar met je zoon over te praten, het is belangrijk dat hij het begrijpt; hij heeft tenslotte geen vader die hem dit kan vertellen.

Wat ook belangrijk is, is dat kinderen begrijpen dat zij zich moeten wassen. Iedere dag schoon ondergoed is normaal voor kinderen die de puberteit hebben bereikt. En kleren moeten regelmatig gewassen worden, zodat zij niet naar zweet stinken. Een goede hygiëne is belangrijk om te voorkomen dat kinderen ziektes of infecties oplopen. Dit hoort bij een goede opvoeding, net zoals het leren om op te ruimen en netjes om te gaan met je spullen. Het gebeurt te vaak dat schoolboeken vol etensresten zitten of dat er water overheen is gegaan.

De manier waarop de directrice de moeders toespreekt doet mij sterk denken aan de vele religieuze lessen voor vrouwen, die ik – achttien jaar geleden – in moskeeën in Damascus bijwoonde voor het onderzoek dat ik daar destijds deed. Vrouwen werden in die lessen dwingend aangesproken op hun verantwoordelijkheden als moeders, en op hun voorbeeldfunctie. Zij dienen hun kinderen de islamitische waarden en normen, de ahlaq, voor te leven en met geduld uit te leggen. De moraal omvat zowel geestelijke als lichamelijke aspecten. Zorg voor het lichaam is een basis voor geestelijke toewijding.

Rol van de moeder

Het vervolg van het verhaal versterkt mijn associaties met de religieuze lessen. Hoewel de directrice benoemt dat een goede opvoeding een gezamenlijke verantwoordelijkheid van school en ouders is, lijkt zij aan te geven dat het mogelijk mislukken daarvan toch vooral op het conto van de moeders komt. Zij benoemt divers gedrag van kinderen, dat niet door de beugel kan. Er zijn klachten over sommige kinderen; zij duwen, pesten, praten er steeds doorheen, luisteren niet, of blijven niet netjes in de rij staan bij het instappen in de bus.

Op dit punt aangekomen roeren enkele moeders zich, en zeggen dat zij het dan wel graag willen weten wanneer er klachten zijn over hun kind. Ook noemen zij voorbeelden van situaties waarin het hun kinderen niet gemakkelijk werd gemaakt, en zeggen zij dat niet alle leerkrachten even goed met de kinderen omgaan. Nu mengt de leerkracht zich in het gesprek en maakt duidelijk wat haar perspectief is op de gezamenlijke verantwoordelijkheid: ze kan niet met iedere moeder gaan bellen als haar kind zich misdraagt. Wat er in de klas gebeurt is het pakje aan van de leerkracht, en de moeders moeten thuis hun verantwoordelijkheid nemen.

De directrice wijst de moeders vervolgens op hun voorbeeldrol: als zij niet rustig zijn, hoe kunnen hun kinderen dan rustig zijn? Net zo werkt het in de klas: als een leerkracht niet sterk genoeg is, reageren de kinderen daarop. Zij sluit af met een verwijzing naar het belang dat de school hecht aan een goede islamitische opvoeding. In de school is een moskee aanwezig, en het wordt gestimuleerd dat de kinderen, zeker als ze groter zijn, daar bidden.

Weldoeners

Na afloop praat ik met vijf vrouwen na. Drie van hen komen uit Dar‘aa, vlak over de grens in het Zuiden van Syrië. Dar‘aa was één van de plaatsen waar in 2011 de opstanden tegen het Syrische regime begonnen. In het geweld dat hierop volgde, zijn veel bewoners van Dar‘aa gevlucht; veel Syriërs uit Dar‘aa zijn dan ook al vier à vijf jaar in Jordanië. De andere twee vrouwen komen uit Damascus. Net als Amal komen zij uit de wijk Jobar, en zijn al aan het begin van de burgeroorlog gevlucht. Hun mannen zijn omgekomen in het oorlogsgeweld.

De sfeer is gelaten. De moeders zijn in het algemeen niet zo enthousiast over de school, maar waarderen het dat de directrice en de lerares naar hen zijn toegekomen. Het is maar een klein schooltje en de meeste leerlingen zijn de kinderen die hier in dit huis wonen. Door naar hen toe te komen, worden de meeste ouders van de kinderen in één keer bereikt. De school waar de kinderen opzitten is een privé-school. De meeste privé-scholen in Amman zijn duur, maar deze niet omdat de school en de kinderen gesponsord worden door rijke moslims uit Jordanië en Saoedi-Arabië. Het bieden van financiële ondersteuning aan weduwen en wezen zien zij als religieuze verplichting, kafalat. Deze weldoeners betalen ook de kosten van de huisvesting van de moeders en de kinderen.

De vrouwen leggen uit dat dit ook hard nodig is. Als Syriërs hebben ze nauwelijks de mogelijkheid om te werken, en voor hen is werken sowieso geen optie. Zij moeten voor de kinderen zorgen en zij hebben geen werkervaring. Van Unicef krijgen zij per gezin een bedrag van 100 Jordaanse Dinar per maand. Dat is te weinig om van te leven en er zijn op dit moment geen andere organisaties die hen steunen. Ze moeten dus heel zuinig zijn en elkaar helpen.

Toekomstperspectief

Zonder uitzondering willen zij terug naar Syrië. Het leven in Jordanië is zwaar en niet leuk. Ze voelen zich ongewenst. Jordanië heeft te veel Syrische vluchtelingen op haar grondgebied en de Jordaniërs hebben daar last van. Ze denken dat het de schuld van de Syriërs is dat de werkgelegenheid laag is en de prijzen hoog. Zij ervaren discriminatie en vijandigheid. In deze buurt zijn zij de enige Syriërs. Zij blijven het liefst binnen, om maar zo min mogelijk met vijandigheid geconfronteerd te worden. Eén van de vrouwen vertelt dat haar neef, de zoon van haar zus in Irbid, daar kort geleden in elkaar geslagen en bespuugd is. Haar neef is 18 en was het toen zo zat dat hij besloten heeft om naar Syrië te gaan, terug naar de oorlog. Haar zus vindt het verschrikkelijk.

Eigenlijk zitten ze in een fuik; ze kunnen geen kant uit. Verder migreren zit er voor hen niet in, want zij hebben geen paspoort en geen geld. Terug naar Syrië zouden zij heel graag willen, maar dat kan niet zo lang de oorlog voortduurt. Er zit dus niet veel anders op dan in Jordanië te blijven, hoewel ze het hier niet fijn vinden en geen enkel toekomstperspectief zien voor hun kinderen.

Ze vertellen dat jongens wanneer ze 12 à 13 jaar oud zijn het huis moeten verlaten. Onder die voorwaarde mogen ze hier wonen. Wanneer jongens geslachtsrijp zijn en seksuele interesse in vrouwen krijgen, is het niet meer toegestaan dat ze met zoveel vrouwen in huis wonen, die geen bescherming van een man krijgen. Gezinnen met jongens in die leeftijd moeten dan een woning gaan huren; zij krijgen daarbij hulp vanuit de woongemeenschap en blijven vaak in de buurt wonen. Praktisch betekent dit dat jongens dan moeten gaan werken om de huur en het levensonderhoud te betalen en dat zij van school afgaan. In het algemeen is alleen werk in de schoonmaak en in een restaurant bereikbaar. Meisjes kunnen soms iets langer naar school blijven gaan, maar vaak trouwen zij vroeg, omdat de moeders hen niet goed kunnen onderhouden.

Is het dan echt niet mogelijk om langer op school te blijven, en misschien door te leren, vraag ik hen? Nee, de moeders zijn allen zeer stellig, zonder vader is het niet mogelijk om te studeren. De enige kans zou zijn wanneer het hen zou lukken te trouwen met een Jordaniër, maar dat is in dit huis nog geen van de moeders gelukt.

Geplaatst op 23 november 2016 in de categorie Mijn reis naar Jordanië

Woongemeenschap

In de vorige blog kwam Amal aan het woord, die vindt dat zij geluk heeft gehad omdat ze hier kan studeren. Heel anders is de situatie van een groep Syrische weduwen en hun kinderen, die met elkaar een portiek bewonen in een buitenwijk van Amman.

Scroll Up